Wikia


Ook ik ben in Arcadië geboren


F. Von Schiller, Resignation

Voor Eva

Ook ik ben in Arcadië geboren,
Ook mij heeft de natuur
Als kraamgeschenk mijn deel geluk beschoren;
Ook ik ben in Arcadië geboren,
Maar ach, slechts leed kende mijn lente-uur.

Eén maal bloeit 's levens mei en dan nooit weer.
Mijn bloei is al teniet.
De stille god - o broeders, bitt're leer! -
De stille god hij stoot mijn fakkel neer,
En 's werelds aanschijn vliedt.

Daar sta ik reeds op uw duistere brug,
Vreeswekkende eeuwigheid.
Hier de geloofsbrieven voor mijn geluk,
'k Geef ze met ongeschonden zegel terug,
Er was mij geen geluk bereid.

Versluierde godin, ik spreek mij uit
Waar gij uw vonnis velt.
Men zegt dat gij de onfeilbare rechter zijt,
Die wikt en weegt volgens gerechtigheid,
Dat gij zijt Die Vergeldt.

Hier wordt, zegt men, wie faalde bitt’re smart,
En wie volhardde, vreugd bedeeld.
Hier worden alle krommen van het hart,
Het raadsel van het lot, voor mij ontward,
Wordt alle pijn geheeld.

Hier zal de ontheemde zich een vrijplaats vinden,
Eindigt zijn doornenweg.
De waarheid, die ik boven al beminde,
Die velen vloden, weinigen slechts zinde,
Dreef mij door 's levens heg en steg.

"Schenk me uw jeugd, uw loon zult ge ontvangen
In een ander bestaan.
Meer leidraad moogt ge niet van mij verlangen."
Ik heb mijn hoop aan deze zin gehangen,
Bood haar mijn jonkheids vreugde aan.

"Lever me uw vrouw, het kleinood van uw hart
Lever me uw Laura uit.
Voorbij het graf woekert onzegb're smart..."
Bloedend rukte ik haar uit mijn arme hart
En leverde haar over, en weende luid.

"Jij dwaas, je aanvaardt een wissel op de doden",
Hoonde mij 's werelds heir,
"Ze liegt! Zij die de slaaf is van despoten:
Als waarheid wordt je ijdele waan geboden,
Wanneer haar cheque vervalt, ben jij niet meer."

En alle spotters ritselden verwaten:
"Een waan, een waan die nimmer wordt voldaan!
Hoe zouden zulke goden er in slagen
Om een kwakkelend wereldplan te schragen,
Die zelf niet hoger zijn dan mensenwaan!"

"Jouw toekomst: in een tombe opgebaard.
De eeuwigheid waarvan je bent bezeten,
Niet eerbiedwaardiger dan haar gewaad:
Onze eigen angst die ons in de ogen staart
In 't spiegelhuis van een bezwaard geweten."

"Een drogbeeld dat je je uit leven bouwde,
Een mummie van de tijd,
Door hoop gebalsemd en zo in de koude
Behuizing van de tombe vastgehouden:
Dat noem je onsterf’lijkheid!?"

"IJdele hoop! Illusie! En dáártegen
Heb je je hoop gesteld?
De dood heeft al zesduizend jaar gezwegen.
Sprak ooit een dode uit zijn graf gestegen
Over Haar Die Vergeldt!?"

Ik zag seizoenen naar uw oever treden,
De bloeiende natuur
Als een kadaver in hun spoor gelegen.
Geen dode kwam ooit uit zijn graf gestegen
Maar ik vertrouwde op het ultieme uur.

Aan u heb ik geofferd mijn geluk.
Nu werp ik mij hier voor uw rechterstoel
De spot der menigte sloeg op mij stuk,
Op uw goed enkel richtte ik mijn blik:
Nu, vrouwe, eis ik mijn deel.

Toen riep een stem: '"Mijn hele kinderschaar
Is me even lief."
"Twee bloemen", hoorde ik, "twee bloemen maar,
Bloeien er voor de hele mensenschaar:
De een heet Hoop, de ander heet Gerief."

"Wie één van deze bloemen heeft gekozen,
Hij zal zich niet meer tot de ander keren.
Genot is er voor wie niet kan geloven,
En wie Gelooft, ziet zich 't genot ontroven.
Een wijsheid die zo oud is als de wereld."

"Gij hoopte en zie, uw loon is afgedragen:
Geloof was het geluk u toebedeeld.
Geen andere uitspraak kunt ge vragen.
Wat men in één minuut heeft afgeslagen
Is voor de eeuwigheid verspeeld."


Terug naar de hoofdpagina